Annemie Bonneux
Perzikbloesembron - Tao Qian ( 365 - 427 )

Perzikbloesembron



Het Huis van Ying verstoorde de hemelse orde.

Wijze mannen ontvluchtten het rijk.

Toen Huang en Qi naar de Shang-berg vertrokken,

zijn ook de anderen weggegaan.

Stilaan verdween elk spoor van hun vertrek.

Hun pad ligt nu verlaten, door onkruid overwoekerd.

Samen bewerken zij het land,

en 's avonds keren allen weer naar huis terug.

Moerbeiboom en bamboe geven diepe schaduw,

bonen en gierst worden op tijd gewied.

In de lente geven de rupsen lange zijde,

de herfstoogst brengt geen schatting voor de vorst.

De wegen zijn leeg, er is weinig komen en gaan.

Hanen kraaien, honden blaffen naar elkaar.

Het offervaatwerk heeft nog steeds zijn oude vorm,

en ook hun kleding kent geen nieuw patroon.

Kinderen rennen vrij en zingen,

ouderen slenteren tevreden, op weg naar bezoek.

Groen gras duidt op een zachte lente,

dor hout voorspelt een scherpe wind.

Zij leven zonder kalender,

de seizoenen zelf maken het jaar.

Hun harmonie geeft hen rijkelijk geluk.

Waarom zich inspannen voor kennis en weten?

Vijfhonderd jaar bleef hun wondere leven verborgen.

Eén ochtend slechts ontsloot zich het hemelse rijk.

Zuiver en laag komend uit een andere bron,

daarom werd het opnieuw afgeschermd en verborgen.

Mag ik u vragen, heren zwervers,

hoe te weten wat meer is dan stof en geraas?

Mijn hoop is op de lichte wind te stappen,

en hoog te vliegen, op zoek naar mijn gezellen.



Kommentaar van Annemie zelf:

De utopie is de proloog van de Chinese beschaving. in de dageraad van haar geschiedenis regeerden vijf legendarische vorsten die de mens-heid uit haar primitieve bestaan verlosten door hen onder meer de jacht, visvangst, ploeg, pottenbakken en het gebruik van geneeskrach-tige planten aan te leren. Zij werden opgevolgd door Yao, Shun en Yu die de Chinese samenleving verwezenlijkten omdat ze de "de", de vol-maakte deugd bezaten. In China kent het begrip deugd een andere in-vulling dan in het Westen. Het is een verzamelnaam voor kwaliteiten als morele integriteit, eruditie en wijsheid die de deugdzamen bezaten en uitstraalden. Een leider die van de "de" was vervuld, hoefde vol-strekt niets te doen. Hij droeg de deugd spontaan over bij zijn onder-danen.
Toen deze utopiese orde werd verstoord, werden er in de loop der tij-den filosofieën ontwikkeld, die zich richtten op het herstellen van die oertijd. De utopische droom werd ook in de literatuur gekoesterd. Tao Qian beschreef in zijn gedicht over Perzikbloesembron de verborgen toegang tot het vergane paradijs. De tekst is echter meer dan een lou-tere afbeelding van de utopie; hij bevat ook elementen van de grote wijsgerige systemen die in het oude China werden ontwikkeld. De ge-dachten die Ta Qian samenvatte, waren minstens duizend jaar ouder dan zijn verzen.

De twee typisch Chinese denkstromingen, het confucianisme en het taoïsme, die allebei circa 500 voor Christus ontstonden, stelden zich als doel de verdwenen harmonie van de legendarische heersers te herwin-nen. Ook al hadden beide denkrichtingen hetzelfde objectief voor ogen en gingen ze allebei uit van de Dao (het Tao), de Weg, als manifestatie van de hoogste Waarheid, toch tekenden ze een verschillende route uit, om dat pad te bewandelen en dat doel te bereiken. Kongfuzi, wiens naam later tot Confucius werd gelatiniseerd, geloofde in het terugkeren naar de vroegere ceremoniën, riten en gedragsregels. Hij accentueerde het regelen van de verhoudingen tussen de mensen, de restauratie van de oude piramidale hiëarchie, waarbij de keizer als zoon van de hemel, de "de" beoefende. Kongfuzi geloofde echter ook in een bipolariteit. Dit werd vaak geïllustreerd door de verhouding tussen vader en zoon. Zoals de vader een goede vader moest zijn, zo hoorde de zoon zich ook als een goede zoon te gedragen. Als aldus iedereen wist hoe hij vanuit zijn maatschappelijke positie moest gedragen, dan zou de vroegere stabiliteit worden hersteld. Deze sociale stabiliteit vind men ook in De perzikbloesembron terug. Zo kan men een verschillend gedrag tussen de kinderen en de ouderen opmerken. De verwijzijng naar de oude ce-remoniën en riten, kan men terugvinden in de verzen die handelen over het offervaatwerk en de kleding.

Wat Kongfuzi door maatschappelijke regelgeving wou bereiken, wou Laozi, de legendarische grondlegger van het taoïsme, op het persoonlij-ke niveau bewerkstelligen. Volgens hem kon de mens zich met de na-tuurlijke orde de dingen verzoenen, door haar niet te verstoren. Om zijn afkeer voor de corruptie en het wangedrag van keizer en mandarij-nen te onderstrepen, verliet Laozi zijn vaderland. Zijn volgelingen trok-ken zich eveneens terug van de wereld; ze gingen zwerven en beklom-men heilige bergen. Boven de wolken beleefden zij het wuwei, het niets-doen en niets-zijn. Tao Qian vermeldt Huang en Qi die zich tij-dens de Qin-dynastie ( van 221 voor tot 206 na Christus ) op de Shang-berg terugtrokken. Net als de heren zwervers aan wie wordt gevraagd hoe de mens te weten komt "wat meer is dan stof en geraas": wat verder ligt dan de corrupte wereld. Tao Qian wil zich graag bij deze "gezellen" aansluiten.

Toen kort na het begin van "onze" tijdsrekening, het boeddhisme naar China kwam, werd het door het taoïsme beïnvloed. Deze versmelting kennen we het best onder de Japansz naam zen. Deze boeddhistische variant sloot mooi aan bij het utopische betoog van het taoïsme: het streefde immers ook naar een vorm van wuwei, die resulteert in een uiteindelijke verlichting. Dit laatste is beter bekend onder de Japanse term satori. Zenboeddhistische monniken kunnen deze staat het best bereiken door het intellect te laten varen. "Waarom zich inspannen voor kennis en weten" vraagt Toa Qian.

De dichter beschrijft de utopische oertijd als een oord van rust in een onverstoorde idyllische natuur, waar alles als vanzelf gaat. Hij be-schrijft ook een sociaal rechtvaardige wereld, waar "de vorst voor de herfstoogst geen schatting vraagt". Hij betreurt dat het pad dat naar de perzikbloesem leidt, onvindbaar is. Hij klaagt aan dat het vijfde eeuwse China is verworden tot een wereld van "stof en geraas", en stelt daarvoor het huis van Ying verantwoordelijk. Schuldige is hier vooral Qin Shihuangdi (259 - 210 voor Christus), de eerste keizer van China. Zijn graf werd in 1974 geopend; de archeologen groeven 7000 terracotta krijgers op, die de wacht betrokken bij het stoffelijk over-schot van de keizer. De Chinese utopische droom werd en wordt echter niet door krijgers, maar door filosofen en dichters bewaakt.



Noot van mij:


Deze publikatie van Annemie, is één van favoriete, en dit om verschil-lende redenen. Met voorop een persoonlijke interesse in het thema of onderwerp: het taoïsme heeft mij steeds meer aangesproken, dan het boeddhisme. Sjamanisme en taoïsme hebben een aantal sterke over-eenkomsten; te beginne met hun voorliefde voor de natuur, en voor de natuurlijke energie-en bewustzijnsprocessen. Alhoewel het boeddhis-me ook een levensbeschouwing is, is het toch "religieuzer" van wezen, terwijl het taoïsme "praktieser" en direkter is. We hebben daarover samen veel gepraat, wat resulteerde in een terug ophalen en uitdiepen van de essentie van Yin en Yang bij mij, uit mijn "makrobiotiese perio-de" van weleer. Annemie spreekt trouwens daarin over de Chinees exakte formuleringen daoïsme en Laozi, terwijl on-dertussen het taoïsme en Lao Tse kouranter zijn geworden.(zie: Wiki-pedia over Laozi). And last but not least, sloot dit beter aan bij de archaïese sfeer en de eigenheid van Japanse en Oosterse kung-fu films waarvan ik hield.

Het stelt ook de vraag in welke richting Annemie zich zou "bewogen" hebben, indien ze zich verder meer voor het taoïsme dan voor het boeddhisme had geïnteresseerd. Dan had haar reislust haar allicht meer naar China, Japan en Korea gevoerd, dan zoals dat het geval is geweest naar kwasi heel Azië waar het boeddhisme verbreid is. Het boeddhisme is dus een "rolling stone" geweest in DIT leven, en een bindmiddel met haar vorige levens omdat ze die voornamelijk dáár in plaats van specifiek in China heeft geleid.

En tenslotte, in de eeuwige kringloop van terugkerende cycli : is het China anno 21ste eeuw niet opnieuw onder het juk gekomen van "het stof en het geraas" en verwaarloost het niet zijn filosofiese eigenheid en bijzonderheid? China was in tal van opzichten anders dan "de rest van de wereld"; maar nu begint China te gelijken op om het even welke "industriële staat". De monumenten blijven nog als "offervaat-werk" staan, als getuigen van een verleden en als trekpleisters voor toeristen.