Annemie Bonneux
Gedichten van Li Bai ( 701 - 762 ) over de Maan (en drinken)

Voor haar tentoonstelling "Het omhelzen van de maan ":

Een vraag aan de maan met wijn in de hand

Hoelang al staat de maan wel aan de hemel?

Ik zet mijn beker neer en vraag het haar.

De mensen reiken naar de maan, maar kunnen haar niet grijpen;

toch is zij op hun pad een trouwe gezellin.

Stralend als een spiegel, zwevend boven 't Rood Paleis

boort haar zuivere licht zich door de groene nevels.

Ik zie haar 's avonds boven zee en oceaan verschijnen,

weet echter niet waarom ze 's ochtends weer in de wolken zinkt.



Het witte konijn stampt heel het jaar zijn kruiden fijn.

Op wiens gezelschap wacht de eenzame Chang'e?

De mensen van vandaag zien niet de maan van vroeger;

toch scheen dezelfde maan ook op het verleden neer.

Vandaag of vroeger, de mensen zijn als stromend water

en allen samen zien zij zo de heldere maan.

Bij wijn en lied heb ik maar één verlangen:

laat altijd maanlicht schijnen in onze gouden bekers.



De omhelzing van de maan

Ik zit alleen tussen de dichte bamboes

Speel op mijn luit, en fluit erbij.

Het woud is diep ; geen mens die 't hoort.

Alleen de volle maan komt naar me kijken.

Wang Wei;

de jade trap vol witte dauw.

De nacht is lang; haar kousen nat.

Ze laat het gordijn van kristal naan beneden

door de foneling staart ze naar de herfstmaan.


Noot:
Dit is het echte gedicht "Het omhelzen van de maan". Ik vermoed dat Annemie het andere gedicht van Li Bai heeft verkozen, omdat de beeldspraak erin duidelijker en minder cripties-Oosters is. Maar dat ze deze titel wel een zeer mooie titel vond, en daarom een soort "hybride" van beide gedichten heeft gemaakt als "uithangbord" voor haar tentoonstelling, met de tekst van de eerste, en de titel van de tweede.



De spiegel van de maan

Alleen drinkend onder de maan.

Tussen de bloesems, met een volle kruik wijn.

Maar ik ben alleen, zonder gezellen.

Ik hef mijn beker en proost zo met Maan.

Zij spiegelt mijn Schaduw; nu zijn we met drieën.

Helaas, Maan kent niets van drinken,

en Schaduw loopt me doelloos achterna.

Slechts even zijn ze bij me, Maan en Schaduw,

ons lachen is na de lente onherroepelijk voorbij.

Ik zing, en Maan blijft bij me hangen.

Ik dans, en Schaduw weet niet wat gedaan.

Nuchter zijn we samen vrolijk,

dronken gaan we uit elkaar.

Onze vriendschap is voor eeuwig,

zelfs voorbij de hemelboog.



Noot:
De reden waarom Li Bai Annemie aansprak, heeft niet alleen te maken met haar voorliefde voor de Tang-periode en Xi'an, of bekeken vanuit de achtergrond van haar tweede en belangrijkste tentoonstelling, maar ook en vooral met de ondertoon van weemoed in zijn gedichten. Terwijl Li Bai op het eerste gezicht als een zorgeloze drinkebroer kan overkomen, schuilen in deze gedichten toch tegelijk een nauwelijks onverholen eenzaamheid en een zweem van wanhoop die hij met vrolijkheid en drinken probeert te verdringen. Dat was iets wat Annemie herkende.